Animatie in de lift. Debat 28 september   

Debat Animatie in de lift op woensdag 28 september 
Het valt niet te ontkennen. Animatie is booming en zit ook in Nederland enorm in de lift. De Nederlandse animatiefilm is internationaal bekend en geroemd om zijn hoge kwaliteit. Jaarlijks verschijnen tientallen autonome films. Nederlandse filmopleidingen hebben vrijwel allemaal een afdeling animatie. Animatie vindt een belangrijke toepassing in commerciële producties, op internet en steeds meer in live-actionfilms. Nederlandse animatiefilmmakers zijn uitgezworven naar grootse projecten over de hele wereld. De plannen in het veld in Nederland zijn navenant ambitieus. Het Nederlands Filmfonds - dat sinds 1998 een budget geoormerkt heeft voor animatiefilm en een speciale selectiecommissie voor animatie - heeft sinds 2009 een intendant animatie (Willem Thijssen) om de productie van een lange animatiefilm te stimuleren.

Komt de Nederlandse animatiefilm door de recente voorgenomen bezuinigingen van de overheid op cultuur in gevaar? We grijpen dit moment met beide handen aan om de animatie in Nederland onder de loep te nemen. Hoe is de stand van zaken? Wat is er de laatste jaren allemaal bereikt en hoe zullen de voorgenomen bezuinigingen de animatiesector in Nederland raken?

Deelnemers aan het debat zijn Michiel Snijders (il Luster Produkties), Bruno Felix (Submarine), Gerben Schermer (Holland Animation Film Festival), Ton Crone (Nederlands Instituut voor Animatiefilm), Maarten Koopman (animatiefilmer en docent animatie). Gespreksleider is Gamila Ylstra (directeur Binger Filmlab).

Verslag
De experts beamen eensgezind dat animatie in de lift zit. Animatie wordt mede door de digitalisering, tegenwoordig overal toegepast, denk aan games, speelfilms en commercials. Volgens de experts zijn er momenteel meer mensen bezig met animatie dan voorheen en op vele verschillende manieren. Er wordt weliswaar meer animatiefilm en animatietelevisie dan ooit bekeken, maar deze animatie wordt over het algemeen niet geproduceerd door de Nederlandse animatiesector. Het grootste gedeelte van de animatie die vertoond wordt in de bioscoop en op televisie is van buitenlandse makelij. Wel komen momenteel enkele Europese producties op gang en enkele featurefilms in Nederland.

Ontwikkelingen binnen het werkveld
Produceren wordt steeds meer als een Europese aangelegenheid gezien. Nederland zit qua grootte tussen landen als Duitsland en Engeland enerzijds en Scandinavische landen en België anderzijds. De experts spreken van de ‘production value’ die een Nederlandse producent in een film kan brengen, doordat hij zijn vak zijn vak goed verstaat. Grotere landen zien deze ontwikkeling en daarnaast kan er een brug gemaakt worden naar de kleinere landen. Nederland wordt hierdoor bij uitstek gezien als een land om te coproduceren.

Verder noemen de experts de ‘mooie woorden’ in beleidsstukken die omgezet moeten worden in films en series die in Nederland geproduceerd kunnen worden. Een netmanager zegt bijvoorbeeld in het beleidsplan dat animatie voor haar een speerpunt is en dat ze erg op zoek is naar transmediale series voor kinderen. Vervolgens blijkt dat bijna alle series van de omroep aankoop zijn en er van de beloftes uit het beleidsplan in de praktijk weinig over blijft. Als stimulans wordt hiervoor een sterkere lobby vanuit het werkveld van animatie genoemd. Vanuit de sector zou men zich aan moeten sluiten bij een beroepsvereniging om een sterke lobby te kunnen houden. Een kanttekening daarbij is dat het economisch veld van animatie overal zit en daardoor moeilijk aan te wijzen is.

Andere geluiden die klinken, zijn de zorgen over het aantal animatoren dat jaarlijks in het werkveld wordt gezet. Er wordt afgevraagd of er voldoende werk is voor al deze animatoren, ondanks de eerder genoemde breed in te zetten mogelijkheden van animatie tegenwoordig. Ook spreekt een animator uit het publiek zich uit over zijn zorgen over de mogelijkheden voor animatoren om bijvoorbeeld een animatieserie uit te brengen.

Ondersteunend in het hele verhaal is het Nederlandse Filmfonds. Er is een bedrag van €1.000.000,- voor animatie. Daarvan is €200.000,- voor projecten voor lange films. Daarnaast is er €200.000,- voor ultrakorte films. Ten slotte blijft er €600.000,- over en die wordt gebruikt voor de ontwikkeling van alle vrije films. Als de film goed is en geschikt voor de bioscoop dan krijgen ze dat geld en helpt het fonds daarmee bij het realiseren van de film.

Bezuinigingen
Een van de speerpunten van het debat zijn de aankomende bezuinigingen die het ministerie van OCW wil gaan doorvoeren en welke direct voelbaar zijn binnen de culturele sector. De experts, het publiek en de gespreksleider geven hier hun visie over.

De inschatting is dat 25% subsidiekorting leidt tot 50% filmvermindering. Nu nemen producenten en distributeurs nog grote risico’s, maar er zullen minder films gemaakt worden als er minder duidelijk is hoe de overige kosten gedekt worden door het Filmfonds. Veel van de speelfilms zijn voor een kwart afhankelijk van de subsidie van de overheid, via het Filmfonds. Van elke geïnvesteerde euro komt vervolgens vijf euro weer terug via belastingen zoals omzetbelasting en BTW. Door geld te investeren in de culturele sector, houdt de overheid de sector levend en haalt zij vervolgens zelf daar ook weer financiële voordelen uit. De overheid functioneert binnen deze context als financieel vliegwiel. De investeringen van de overheid omvatten maar een relatief klein gedeelte van de totale kosten een project zoals bijvoorbeeld een film. Ondernemende producten halen het overige geld op vele verschillende manieren binnen. Cultuurproducenten moeten aanspraak op subsidie mogen maken, omdat zij iets interessant willen maken voor het Nederlandse publiek. Animatie is de meest dynamische en snelst groeiende kunstvorm die in Nederland en wereldwijd bekeken wordt.

Vanuit de eerder genoemde lobby wil men de fondsen, zalen en omroepen duidelijk maken hoe belangrijk animatie is. Films kunnen in samenwerking met andere Europese landen gefinancierd worden. Europa is meer de markt voor Nederlandse producenten dan Amerika met compleet, puur in de markt gezette features.

Het ministerie moet inzien dat de goedkopere series en films die omroepen nu aankopen, in plaats van Nederlandse producties, zo goedkoop zijn doordat ze zijn gemaakt met Frans of Duits subsidiegeld of andere stimuleringsmaatregelen. Overheden in die landen zijn zich beter bewust van het effect van het rondpompen van geld in bijvoorbeeld een subsidiesysteem, waardoor een film of serie maken in verhouding weinig kost. Omringende landen als België en Duitsland hebben bovendien een ‘tax shelter’, hierdoor kan een investeerder van een film de helft van zijn investering terugverdienen. De momentele belemmering bij de Nederlandse politiek, en met name regering, is het gegeven dat er niets aan de hand is dat zal leiden tot specifieke op cultuur gerichte maatregelen. Een ander punt van kritiek vanuit de sector is dat er bijvoorbeeld bij het uitbrengen van een serie op de publieke omroep vanuit de omroep en het Filmfonds wordt gevraagd om de serie te vercommercialiseren in de vorm van merchandise, terwijl het commissariaat van de media het in de markt zetten van merchandise vervolgens tegenhoudt. Als gevolg hiervan is een producent beperkter in het aanboren van zoveel mogelijk financiële armslag.

Voordat er wordt geresumeerd komen aan het eind van het debat enkele positieve ontwikkelingen aan de orde die spelen binnen de animatiesector. Zo worden er momenteel twee, door het Filmfonds ondersteunde, lange speelfilms gemaakt van anderhalf miljoen per film. Deze budgetten zijn redelijk laag voor een lange animatiefilm en de films worden daarnaast volledig in Nederland gemaakt. Het betreft een productie van Il Luster Producties en een film die voorkomt uit de animatieserie van De Efteling.

Afsluitend wordt geconcludeerd dat de animatiesector een flinke pas op de plaats zal moeten maken, zoals in educatie, archivering en facilitair, maar dat de sector ondernemend genoeg is om sterk uit de bezuinigingen te komen. Ten slotte is men het er over eens dat het gemeenschappelijke belang onderkend wordt door de gehele animatiesector.